ECLI:NL:CRVB:2025:1343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was betrokken bij een bedrijfsongeval en meldde zich ziek waarna zij een WIA-uitkering ontving. Het UWV beëindigde haar WIA-uitkering per 10 augustus 2022 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht op basis van een uitgebreid verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had dan het UWV aannam en dat het onderzoek niet zorgvuldig was. Zij stelde ook dat zij onvoldoende werd bijgestaan in het beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering had beëindigd.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de onderbouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk. De medische informatie van Poolse artsen werd meegewogen maar gaf geen aanleiding tot een andere conclusie.
De Raad concludeerde dat appellante op de datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat het UWV de uitkering terecht had beëindigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering van appellante terecht heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.