Appellante voerde aan dat haar Ziektewetuitkering ten onrechte per 27 september 2019 was beëindigd vanwege haar beperkingen, waaronder een verstandelijke beperking vastgesteld door een neuropsycholoog. Het Uwv handhaafde het besluit, waarna de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts benoemde die meer beperkingen vaststelde dan eerder aangenomen.
Op basis van aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek verklaarde het Uwv bij een nieuw besluit het bezwaar gegrond en besloot de uitkering te continueren tot het einde van de wachttijd. Appellante handhaafde haar hoger beroep, maar de Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn van bijna twee jaar in de bestuursrechterlijke fase. Tevens werden griffierechten vergoed. De uitspraak werd gedaan door S. Wijna op 28 augustus 2025.