ECLI:NL:CRVB:2025:1300
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering per 1 december 2021 onterecht vanwege onvoldoende medische motivering
Appellante ontving sinds 2015 een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Het UWV herzag haar uitkering meerdere malen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid varieerde tussen 35% en 55%. In het bestreden besluit van 30 september 2021 beëindigde het UWV de uitkering per 1 december 2021 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte geen aanvullende beperkingen voor haar hand- en vingergebruik had aangenomen, ondanks medische aanwijzingen voor beknelde zenuwen en lipolymfoedeem. Medische rapporten, waaronder van een plastisch chirurg en verzekeringsarts, toonden aan dat er sprake was van carpaal tunnel syndroom en aanhoudende klachten die het handgebruik beperkten.
De Raad concludeert dat het UWV geen juiste en volledige medische beoordeling heeft gegeven, met name omdat de Functionele Mogelijkhedenlijst van 8 juli 2021 onvoldoende rekening houdt met de beperkingen in fijnmotorische hand- en vingerbewegingen. Hierdoor staat niet vast dat appellante geschikt was voor de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd. Het besluit tot beëindiging van de uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, waardoor appellante recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en de Staat tot vergoeding van schadevergoeding en proceskosten wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Besluit tot beëindiging WIA-uitkering per 1 december 2021 wordt vernietigd en UWV moet nieuwe beslissing nemen; schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.