Uitspraak
PROCESVERLOOP
.Appellant is verschenen, bijgestaan door Latumaerissa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft in oktober 2008 een aanvraag ingediend voor erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van de Wubo, welke is afgewezen in 2009. In juli 2023 verzocht appellant om herziening van deze afwijzing en tevens om erkenning op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees deze verzoeken in april 2024 af wegens het ontbreken van nieuwe feiten en het niet aantonen van verblijf in oorlogsgeweldsituaties.
De Centrale Raad van Beroep heeft de beroepen van appellant beoordeeld en geoordeeld dat er geen nieuwe, objectieve feiten zijn die aanleiding geven de eerdere besluiten te herzien. De verklaring van de halfbroer van appellant over internering in kampen berustte op een ingeving en kon niet worden bevestigd met historische gegevens. Bovendien valt het verblijf in het kamp Menno Coehoorn niet onder de Wubo.
Ten aanzien van de AOR is vastgesteld dat appellant niet heeft aangetoond dat hij de in de regeling bedoelde oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en de eerdere besluiten blijven van kracht. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de afwijzing van erkenning als burgeroorlogsslachtoffer en op grond van de AOR blijft in stand.