ECLI:NL:CRVB:2025:1235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van haar WIA-uitkering per 23 november 2022, omdat zij van mening is dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft vastgesteld. Na een uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek, inclusief een Functionele Mogelijkhedenlijst en selectie van passende functies, heeft het UWV geconcludeerd dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook een verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken was die alle klachten heeft meegewogen. De arbeidsdeskundige heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat zij niet lichamelijk was onderzocht en dat haar medische situatie, waaronder obesitas, astma, GERD-klachten en psychische problematiek, onvoldoende was meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd is uitgevoerd en dat de medische stukken geen aanleiding geven tot een ander oordeel.
De Raad bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Er is geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.