ECLI:NL:CRVB:2025:12
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd vanwege arbeidsongeschiktheid, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische beoordeling door verzekeringsartsen en het arbeidskundig onderzoek leidden tot de conclusie dat appellante geschikt is voor geselecteerde functies. De rechtbank heeft dit oordeel bevestigd en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante betoogde dat haar beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld en bracht een contra-expertise in van een bedrijfsarts. De Raad concludeert echter dat deze contra-expertise onvoldoende gewicht heeft omdat er geen eigen lichamelijk onderzoek is verricht en de bevindingen vooral gebaseerd zijn op anamnese en rapportages van behandelaars. De verzekeringsartsen van het UWV hebben hun oordeel zorgvuldig gemotiveerd en betrokken alle relevante medische informatie, inclusief psychiatrisch onderzoek.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies passend zijn en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Het hoger beroep wordt verworpen en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.