Appellante, een voormalig zelfstandig ondernemer, kreeg vanaf 1 mei 2011 een AOW-pensioen toegekend. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluiten in 2011 en 2012 vast dat appellante schuldig nalatig was geweest in het betalen van AOW-premies over de jaren 2003 tot en met 2006. Dit leidde tot een korting van 8% op haar AOW-pensioen vanaf november 2014.
Appellante verzocht in oktober 2020 om herziening van deze besluiten, stellende dat zij de belastingaanslagen nooit had ontvangen vanwege een vernummering van haar Duitse woonadres en slechte postbezorging. De Svb wees dit verzoek af, en ook de rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
In hoger beroep handhaafde de Svb het besluit tot weigering herziening. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij de aanslagen niet had ontvangen en dat er geen omstandigheden waren die het niet ontvangen van de aanslagen aan haar konden worden toegerekend. De Raad bevestigde dat de besluiten tot schuldig nalatig verklaring en de korting op het pensioen terecht waren en wees het beroep af. De Svb werd wel veroordeeld in de proceskosten van appellante en moest het betaalde griffierecht vergoeden.