Appellante werkte als productiemedewerker en meldde zich ziek op 8 januari 2018. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige weigerde het UWV per 6 januari 2020 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat, maar bracht geen nieuwe medische stukken in. Het UWV liet appellante alsnog onderzoeken door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerde dat het eerdere oordeel standhield.
De Raad oordeelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid, maar dat dit gebrek niet tot benadeling leidde omdat het besluit inhoudelijk juist was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde het UWV in de proceskosten en wees het verzoek om schadevergoeding af.