ECLI:NL:CRVB:2025:1144
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond wegens ontbreken machtiging voor hoger beroep in WIA-zaken
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake WIA-zaken. De Raad heeft dit hoger beroep op 12 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een juiste machtiging. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellante verzet ingesteld tegen deze beslissing. Tijdens de zitting op 30 juni 2025 verschenen appellante en haar gemachtigde niet, terwijl het Uwv zich online liet vertegenwoordigen.
De Raad overwoog dat de machtiging die door de gemachtigde was overgelegd niet voldeed aan de vereisten. Ondanks dat de gemachtigde stelde dat soortgelijke machtigingen in eerste aanleg waren geaccepteerd en dat de Raad niet duidelijk had aangegeven dat een specifiek machtigingsformulier moest worden ingediend, bleef een geldige machtiging ontbreken. De Raad concludeerde dat appellante geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die haar verzuim konden rechtvaardigen.
Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door K.H. Sanders, in aanwezigheid van griffier J.M. Labage, op 28 juli 2025.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging voor hoger beroep.