ECLI:NL:CRVB:2025:1112

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
22/3754 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overlijden appellante en ontbreken procesbelang

Appellante is overleden in 2023, waardoor haar belang bij de voortzetting van het hoger beroep is komen te vervallen. Ondanks verzoeken aan de advocaat van appellante om aan te geven welke erfgenamen de procedure wensen voort te zetten, is geen concrete reactie ontvangen. Ook na aankondiging van de zitting in de Staatscourant heeft zich geen belanghebbende gemeld om het geding voort te zetten.

De Centrale Raad van Beroep heeft daarom geconcludeerd dat er geen procesbelang meer bestaat bij de beoordeling van het hoger beroep. Dit leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 juli 2025. De zaak betrof een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2022, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Almere partij was.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na het overlijden van appellante.

Uitspraak

22/3754 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2022 , 22/2127 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
wijlen [appellante] , in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 16 juli 2025
SAMENVATTING
Appellante is overleden. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 2 januari 2025 laten weten dat appellante op [datum] 2023 is overleden.
De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 16 mei 2025 [1] aangekondigd dat de behandeling van de zaak op de zitting van 4 juni 2025 zal plaatsvinden. Van de zijde van de erfgenamen van appellante is niemand ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Piets.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is op [datum] 2023 overleden. Daarmee is haar belang bij de voortzetting van het geding vervallen. Voorafgaand aan de aankondiging in de Staatscourant is aan mr. Wevers gevraagd om de Raad te laten weten of hij weet wie de erven van appellante zijn en of zij de procedure wensen voort te zetten. Mr. Wevers heeft hierop niet concreet geantwoord welke erfgenamen de procedure wensen voort te zetten.
2. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Niet is gebleken van erfgenamen die appellante als partij in dit geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten.
3. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is bij een beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025.
(getekend) C.W.C.A. Bruggeman
(getekend) C.K. Teunissen

Voetnoten

1.Staatscourant 2025, 16865.