ECLI:NL:CRVB:2025:1090
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft na een verkeersongeval een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellant 27,65% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid van appellant niet onjuist was ingeschat, hoewel de reistijd voor therapie onvoldoende was meegenomen, wat echter niet leidde tot een andere uitkomst.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij volledig arbeidsongeschikt is, mede onderbouwd met een rapport van een neuroloog. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad bevestigt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De aanvullende medische informatie dateert van na de datum in geding en leidt niet tot een ander oordeel. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat therapie en reistijd meer tijd in beslag nemen dan reeds erkend.
De Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin op 16 juli 2025.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.