ECLI:NL:CRVB:2025:1043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante werkte als medewerker schoonmaakonderhoud en viel in november 2018 uit wegens gezondheidsklachten. Het UWV kende haar vanaf november 2020 een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 35,12%. Na onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 20 december 2022.
Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had en de geselecteerde functies niet kon vervullen, mede vanwege het risico op aanvallen. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en stelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd en dat de functies passend waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, benadrukte dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd en dat de klachten niet leidden tot excessief ziekteverzuim. De Raad bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering en wees het hoger beroep af, waardoor appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.