Appellante, een vennootschap onder firma, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland inzake een geschil met het UWV over een uitkering. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoet kwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De Raad stelde vast dat het UWV reeds de kosten in de bezwaarfase had vergoed en dat alleen de kosten in beroep en hoger beroep nog vergoed moesten worden. Op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van in totaal € 2.721,- en het griffierecht van € 924,-. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten vanwege de intrekking van het beroep en sprak de beslissing uit in het openbaar op 9 juli 2025. De wijze van rentevergoeding werd verwezen naar een eerdere uitspraak van de Raad uit 2012.
Deze uitspraak bevestigt het recht van een belanghebbende om bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan de proceskosten vergoed te krijgen, inclusief griffierecht en wettelijke rente.