Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1031

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
24/1494 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante, een vennootschap onder firma, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland inzake een geschil met het UWV over een uitkering. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoet kwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De Raad stelde vast dat het UWV reeds de kosten in de bezwaarfase had vergoed en dat alleen de kosten in beroep en hoger beroep nog vergoed moesten worden. Op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van in totaal € 2.721,- en het griffierecht van € 924,-. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten vanwege de intrekking van het beroep en sprak de beslissing uit in het openbaar op 9 juli 2025. De wijze van rentevergoeding werd verwezen naar een eerdere uitspraak van de Raad uit 2012.

Deze uitspraak bevestigt het recht van een belanghebbende om bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan de proceskosten vergoed te krijgen, inclusief griffierecht en wettelijke rente.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, griffierecht en wettelijke rente na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

24/1494 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 mei 2024, 23/4759 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante V.O.F.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 juli 2025
.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.E. Vollebregt hoger beroep ingesteld. Appellante heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 30 januari 2025 heeft mr. G.B.A. Bol zich als opvolgend gemachtigde gesteld en de gronden aangevuld. Op 10 april 2025 heeft mr. J. Heek zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft op 1 mei 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te zullen verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met het besluit van 1 mei 2025 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 2.721,- voor verleende rechtsbijstand.
Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [1]
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente zoals hiervoor is vermeld;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.721,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 924,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris in tegenwoordigheid van A.K.F. Ouwehand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) A.K.F. Ouwehand

Voetnoten

1.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.