ECLI:NL:CRVB:2024:946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit na eerste ziektejaar
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerker en callcentermedewerker, meldde zich op 6 juli 2019 ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling concludeerde een verzekeringsarts dat zij beperkingen had door een stemmings- en angststoornis, maar geen ernstig onvermogen. Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante nog 75,52% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarop het UWV de ZW-uitkering beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische en lichamelijke klachten niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten en een urenbeperking nodig was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts voldoende inzichtelijk had gemotiveerd waarom appellante ondanks haar beperkingen niet ernstig arbeidsongeschikt was. De medische en arbeidskundige rapporten waren zorgvuldig en volledig, en de rechtbank had de juiste afweging gemaakt. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.