ECLI:NL:CRVB:2024:9
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante, voormalig crèchemedewerkster, kreeg een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering werd beëindigd per 17 januari 2021. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat haar beperkingen, met name door het Carpaal Tunnel Syndroom en psychische klachten, onvoldoende waren erkend.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig waren en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd waarom de functies passend waren. Appellante ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de beperkingen voor fijn hand- en vingergebruik en psychische klachten onvoldoende waren meegenomen en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 3 november 2021 juist waren en dat er geen medische noodzaak was voor verdere beperkingen of urenbeperking. De arbeidsdeskundige had de functie van baliemedewerker laten vervallen, maar er waren voldoende andere passende functies. Het hoger beroep werd afgewezen, het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering bleef in stand en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 17 januari 2021 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.