ECLI:NL:CRVB:2024:885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens toerekening loonperiode
Appellant ontving een WW-uitkering en toeslag over januari 2021, gebaseerd op een door hem opgegeven SV-loon van €419,76. Het UWV ontdekte echter dat zijn werkgever aan de belastingdienst een hoger loon van €1.079,07 had doorgegeven, inclusief meeruren uit december 2020 die in januari 2021 werden uitbetaald. Hierdoor werd de uitkering herzien en het te veel betaalde bedrag van €997,92 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de hoofdregel van artikel 4:1, derde lid, van het AIB correct had toegepast. De hardheidsclausule van artikel 4:1, elfde lid, was niet van toepassing omdat het nadeel voortkomt uit de systematiek van de wet en niet leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Appellant voerde aan dat de meeruren aan december 2020 hadden moeten worden toegerekend, wat een gunstiger resultaat zou opleveren, maar dit werd verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad benadrukte dat niet elk nadelig gevolg als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt en dat de verlenging van de WW-uitkering met een maand tot 15 april 2021 compenseert voor het nadeel. Ook het standpunt van appellant dat het UWV in telefoongesprekken een onredelijke uitkomst zou hebben toegegeven, werd onvoldoende onderbouwd bevonden.
Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en toeslag over januari 2021 in stand blijft. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en toeslag over januari 2021.