Appellant diende twee aanvragen om bijstand in, waarvan de eerste werd afgewezen omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde met de moeder van twee van zijn kinderen, waardoor hij geen recht had op bijstand als alleenstaande. De tweede aanvraag werd afgewezen vanwege weigering van medewerking aan een huisbezoek.
De Raad oordeelde dat appellant en zijn partner een gezamenlijke huishouding voerden, gebaseerd op feitelijke omstandigheden zoals het hoofdverblijf en de zorg voor kinderen, en bevestigde daarmee de afwijzing van de eerste aanvraag. De afwijzing van de tweede aanvraag werd vernietigd omdat het huisbezoek plaatsvond buiten de te beoordelen periode en het college onvoldoende had gemotiveerd waarom dit relevant was.
Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van de tweede afwijzing in stand, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht vergoeden.