Appellante, een Bulgaarse unieburger die sinds 2007 in Nederland woont, ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college trok de bijstand per 1 maart 2019 in wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Tijdens bezwaar en onderzoek bleek onduidelijkheid te bestaan over de verblijfsrechtelijke status van appellante, mede door tegenstrijdige rapportages van de IND.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellante stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende had gemotiveerd op basis waarvan de bijstand was toegekend en waarom deze was ingetrokken, mede gelet op het Unierecht en het Besluit 1/80 EG-Turkije.
De Raad oordeelde dat het college niet duidelijk heeft gemaakt op welk rechtmatig verblijf de bijstand was gebaseerd en welke wijzigingen tot intrekking leidden. Het college reageerde niet adequaat op verzoeken om nadere informatie. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellante tot de rechthebbenden behoorde. De Raad vernietigde het besluit en gaf het college opdracht een nieuw besluit te nemen na schriftelijk overleg met de IND en met gelegenheid voor appellante om te reageren.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.