Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:785

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 april 2024
Publicatiedatum
29 april 2024
Zaaknummer
21/3391 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenveroordeling

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan (het UWV) bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in de bezwaren kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de door appellante gemaakte kosten voor rechtsbijstand, deskundigenrapporten en griffierecht.

De vergoeding van proceskosten werd gespecificeerd en toegelicht, waarbij administratiekosten werden uitgesloten en de vergoeding van deskundigen werd berekend aan de hand van het Besluit tarieven in strafzaken. De totale proceskostenvergoeding bedroeg €6.470,95, exclusief het griffierecht van €182,- dat eveneens werd vergoed.

Hiermee werd het geschil definitief beëindigd, waarbij appellante haar beroep introk vanwege de volledige tegemoetkoming door het UWV.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens volledige tegemoetkoming.

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 april 2024
21/3391 WIA en 22/1825 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 september 2021, 20/1158 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 24 mei 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Hierop heeft appellante gereageerd.
Met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is deze beslissing in de lopende procedure betrokken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2022 via videobellen. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogeveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
De Raad heeft het onderzoek heropend en dr. B. Sorgdrager, bedrijfsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 1 juni 2023 gerapporteerd.
Het Uwv heeft op 3 augustus 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 augustus 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Nu aldus aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 mei 2022 zijn de kosten in bezwaar al vergoed. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt van € 875,-) en op € 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op het besluit van 24 mei 2022 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). In totaal € 3.937,50.
Appellante heeft deskundigenrapporten van het Expertise Instituut ingediend. De kosten die appellante in dit verband redelijkerwijs heeft moeten maken komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De op de specificatie van de factuur genoemde administratiekosten van € 464,81 komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht niet in deze kosten voorziet. De werkzaamheden van de verzekeringsarts (9 uren in 2020 en 3 uren in 2022) en de arbeidsdeskundige (4 uren in 2020) komen voor vergoeding in aanmerking. Conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wordt daarbij uitgegaan van een maximaal uurtarief van € 129,63 (in 2020) en € 136,19 (in 2022). Dit betekent dat voor de werkzaamheden een bedrag van € 2.533,45 wordt vergoed (inclusief omzetbelasting).
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 6.470,95.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 6.470,95;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 182,-, vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor