Appellant, die als productiemedewerker in WSW-verband werkte, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en een functionele mogelijkhedenlijst vast dat appellant beperkingen heeft, maar nog geschikt is voor zijn eigen werk. Het UWV weigerde daarom de WIA-uitkering, een besluit dat ook de rechtbank bevestigde.
Appellant voerde aan dat er sprake was van onvoldoende motivering en dat knieklachten niet goed waren meegenomen, met name de mogelijke retropatellaire chondropathie. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat een beperking alleen kan worden aangenomen als deze geobjectiveerd is, wat hier niet het geval is. Ook het arbeidskundig onderzoek toonde aan dat appellant de werkzaamheden kon verrichten.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit tot weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 april 2024.