ECLI:NL:CRVB:2024:722

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
22/3538 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Participatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bijzondere bijstand voor bed, lattenbodem en matras bevestigd

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een bed, lattenbodem en matras voor haar zoon. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die niet uit algemene bijstand of draagkracht kunnen worden voldaan.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de kosten van een bed tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren, die in principe uit het inkomen moeten worden betaald. Appellante had onvoldoende onderbouwd waarom zij niet had kunnen reserveren, ook niet in het licht van haar echtscheiding en de lening die zij ontving voor stofferings- en inrichtingskosten.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en dat zij niet had kunnen reserveren vanwege de echtscheiding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe of aanvullende gronden had aangevoerd en geen stukken had ingebracht ter onderbouwing. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor een bed, lattenbodem en matras.

Uitspraak

22.3538 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2022, 22/3147 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 9 april 2024
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: N.B. Yalçinkaya
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 april 2024. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.T. Krabbenborg.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een bed, een lattenbodem en een matras.
Het college heeft met een besluit van 28 december 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 15 juni 2021 (bestreden besluit), de aanvraag van appellante afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten niet voortkomen uit bijzondere omstandigheden.
Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De kosten van een bed worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Appellante had geld apart moeten zetten voor een nieuw bed voor haar zoon. Zij heeft niet onderbouwd dat dit voor haar niet mogelijk was. Voor zover de echtscheiding als een bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt, geldt dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat zij als gevolg hiervan nu geen geld beschikbaar heeft voor het kopen van een bed. Zij heeft geen inzicht gegeven in de extra kosten die zij als gevolg van de echtscheiding heeft. Zij heeft niet toegelicht waarom zij de ontvangen lening voor stofferings- en inrichtingskosten niet heeft gebruikt voor de aanschaf van een bed. Voor zover appellante een beroep doet op artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet slaagt dit beroep niet. Deze bepaling is in het geval van appellante namelijk niet van toepassing.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en voor haar niet voorzienbaar waren. Zij kon niet reserveren voor die kosten omdat zij na de echtscheiding zoveel spullen moest aanschaffen dat er geen geld meer over was voor de aanschaf van een bed. Dit levert een noodsituatie op.
Wat appellante aanvoert, is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daar nog aan toe dat ook in hoger beroep appellante geen stukken heeft ingebracht ter onderbouwing van haar stellingen.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) N.B. Yalçinkaya (getekend) K.M.P. Jacobs