Appellant vroeg op 9 maart 2022 een Wajong-uitkering aan, stellende dat hij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte sinds zijn achttiende verjaardag. Het UWV weigerde de uitkering na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en oordeelde dat appellant wel arbeidsvermogen had op die datum.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat de medische situatie rond de achttiende verjaardag niet goed kon worden vastgesteld door het tijdsverloop, wat voor risico van de late aanvrager komt. Bovendien had appellant na zijn achttiende verschillende opleidingen gevolgd en een mbo-4 diploma behaald, wat wijst op basale werknemersvaardigheden.
Appellant voerde aan dat hij psychische aandoeningen had en niet over werknemersvaardigheden beschikte, maar deze stellingen werden niet voldoende onderbouwd met medische gegevens. Ook het UWV hoefde geen specifieke taak te selecteren omdat geen beperkingen rond de achttiende verjaardag waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV en bevestigde de weigering van de Wajong-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.