ECLI:NL:CRVB:2024:708
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding
Appellante diende een aanvraag om bijstand in, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met X. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat appellante geen zelfstandig recht op bijstand had omdat zij niet als alleenstaande kon worden beschouwd.
De Raad toetste het bestreden besluit over de periode van 10 april 2020 tot 20 mei 2020. Appellante stelde dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde maar slechts huisgenoot was. De Raad stelde dat de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat een gezamenlijke huishouding objectief wordt beoordeeld aan de hand van het hoofdverblijf en wederzijdse zorg.
Uit feiten zoals het gezamenlijk huren van de woning, gezamenlijke bankrekening voor huur en vaste lasten, en financiële transacties tussen appellante en X bleek een financiële verstrengeling die verder ging dan het delen van vaste lasten. Hierdoor werd appellante als gehuwd aangemerkt en had zij geen zelfstandig recht op bijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellante een gezamenlijke huishouding voerde en geen zelfstandig recht op bijstand had.