ECLI:NL:CRVB:2024:685

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
9 april 2024
Zaaknummer
23/2325 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling bij intrekking hoger beroep WIA

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage volgens de WIA. Na een nieuw besluit van het UWV waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage werd verlaagd en de loonaanvullingsuitkering werd ingetrokken, trok appellant het hoger beroep in en verzocht om proceskostenveroordeling van het UWV.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het besluit van 22 januari 2024 waarop appellant zich beroept, betrekking heeft op een andere datum dan het besluit dat onderwerp was van de aangevallen uitspraak. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarde dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom werd het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. Het onderzoek vond plaats zonder zitting en de beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 4 april 2024 door rechter F.M. Rijnbeek in aanwezigheid van griffier E.X.R. Yi.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het bestuursorgaan niet is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a Awb.

Uitspraak

Datum uitspraak: 4 april 2024
23/2325 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
29 juni 2023, 22/2594 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van appellant per 7 juli 2021 vastgesteld op 62,09%. Na bezwaar is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 61,99%. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep daartegen ongegrond verklaard.
Bij besluit van 22 januari 2024 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 47,38%. De loonaanvullingsuitkering wordt, rekening houdend met de geldende uitlooptermijn, ingetrokken per 23 maart 2024.
Appellant heeft daarop het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft van de gelegenheid gebruikgemaakt een verweerschrift in te dienen.
Appellant heeft hierop gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het besluit van 22 januari 2024 ziet op een andere datum dan het besluit waarop de aangevallen uitspraak betrekking had. Het Uwv is met het besluit van 22 januari 2024 dan ook niet tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb.
De Raad is daarom van oordeel dat het verzoek om proceskostenveroordeling dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) E.X.R. Yi