Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:651

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
23/2553 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens 42 niet-verzekerde jaren

Appellant heeft beroep en hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin een ouderdomspensioen is toegekend met een korting van 84% wegens 42 niet-verzekerde jaren. De Svb heeft vastgesteld dat appellant verzekerd was van 24 september 1991 tot 3 oktober 1991 en van 15 maart 1992 tot 31 december 1999. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten.

Appellant vertrok in 1994 uit Nederland en woonde sindsdien in Marokko met behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Vanaf 1 januari 2000 was hij niet meer verzekerd voor de AOW vanwege deze uitkering. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen bewijs is voor verzekeringsperioden vóór 15 maart 1992 en dat de Svb geen andere verzekeringsperioden kon vaststellen dan de genoemde.

Appellant heeft geen aanvullende gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het aantal verzekerde jaren onjuist is. Zijn persoonlijke en financiële omstandigheden kunnen geen aanleiding geven tot een hoger pensioen. De Centrale Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 84% op het AOW-pensioen wegens 42 niet-verzekerde jaren.

Uitspraak

23.2553 AOW

Datum uitspraak: 22 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2023, 22/4703 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Guercif (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: M.L. Noort, als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: R.R. Olde Engberink.
Ter zitting van 22 maart is appellant niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De Svb heeft met een besluit van 2 maart 2022, na bezwaar gewijzigd met een besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW [1] toegekend naar de norm van een gehuwde. Op het ouderdomspensioen is een korting toegepast van 84% wegens (afgerond) 42 niet-verzekerde jaren. De Svb heeft aanvaard dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW van 24 september 1991 tot en met 3 oktober 1991 en van 15 maart 1992 tot en met 31 december 1999.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Niet in geschil is dat appellant in 1994 uit Nederland is vertrokken en met behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in Marokko heeft gewoond. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat appellant op grond van de gewijzigde regelgeving vanaf 1 januari 2000 niet meer verzekerd was vanwege het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De vraag is nog of er aanknopingspunten zijn voor (meer) verzekerde tijdvakken in de periode van 1989 tot 15 maart 1992, aldus de rechtbank. Er zijn geen woongegevens verkregen over de periode vóór 15 maart 1992. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Svb geen andere perioden van verzekering op grond van werken in Nederland heeft kunnen vaststellen dan de periode van 24 september 1991 tot en met 3 oktober 1991, waarin appellant voor een uitzendbureau heeft gewerkt, en een periode vanaf 3 april 1992, waarin appellant al op grond van wonen in Nederland verzekerd was. De gegevens die appellant heeft verstrekt over het ontvangen van kinderbijslag leveren geen perioden van verzekering op, onder meer omdat appellant kinderbijslag heeft ontvangen in de perioden waarin al verzekering is aangenomen op grond van het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb goed uitgezocht welke perioden van verzekering meetellen voor het bepalen van de ouderdomsuitkering van appellant en is de korting van 84% juist vastgesteld.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft hierbij gewezen op zijn financiële situatie.
De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de motivering waarop dit berust en verwijst daarnaar. De Svb heeft onderzocht over welke tijdvakken appellant verzekerd kan worden geacht en de tijdvakken vastgesteld. Appellant heeft in beroep en hoger beroep geen verdere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het door de Svb voor appellant vastgestelde aantal verzekerde jaren onjuist zou zijn. De door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot toekenning van een hoger ouderdomspensioen leiden. Er is dus geen reden om het besluit van de Svb voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.L. Noort
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

Voetnoten

1.Algemene ouderdomswet.