ECLI:NL:CRVB:2024:536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die zich in april 2019 ziekmeldde met lichamelijke en psychische klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij niet volledig arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering per 23 april 2021 toe te kennen. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen zwaarder waren dan vastgesteld, mede door haar dagverhaal en een multidisciplinair rapport.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed was gemotiveerd en dat de beperkingen van appellante objectief waren vastgesteld. De geselecteerde functies overschreden haar belastbaarheid niet. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat haar klachten niet voldoende waren meegewogen en dat de urenbeperking ontoereikend was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling voldoende inzichtelijk en overtuigend was, waarbij ook het dagverhaal en het rapport van Winnock Zorg waren betrokken. De urenbeperking van maximaal 8 uur per dag en 40 uur per week was passend. Ook de arbeidskundige beoordeling toonde aan dat de geselecteerde functies binnen haar belastbaarheid lagen. Het verzoek om een deskundige te benoemen werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.