ECLI:NL:CRVB:2024:535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als meewerkend voorman groenvoorziening, meldde zich ziek in februari 2019 en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een nieuwe rughernia en toegenomen klachten werd alsnog een WGA-uitkering toegekend met volledige maar niet-duurzame arbeidsongeschiktheid per 1 september 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts een expectatief beleid voerde vanwege de kans op herstel van de hernia. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het behandelbeleid gericht was op pijnreductie en niet op herstel, en dat het UWV hem later toch een IVA-uitkering toekende.
De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische stukken had ingediend die het perspectief op herstel per 1 september 2020 anders konden doen beoordelen. De toekenning van een IVA-uitkering in 2022 weerspiegelt het niet-bewaarheid zijn van het herstelperspectief in 2020. Het hoger beroep werd afgewezen en de weigering van de IVA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de IVA-uitkering per 1 september 2020 wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.