Appellant ontving bijstand sinds 2018 en werd geconfronteerd met een melding van zijn ex-partner over mogelijke onderverhuur van kamers. Naar aanleiding hiervan startte de gemeente een onderzoek en vroeg appellant om medewerking, waaronder een huisbezoek op 14 december 2021. Appellant weigerde mee te werken aan dit huisbezoek, waarna het college de bijstand introk vanaf die datum.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat er geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek, omdat de melding van de ex-partner onvoldoende concreet was, de bankafschriften geen duidelijke aanwijzingen gaven en de verklaring van appellant aannemelijk was. Bovendien had het college onvoldoende vragen gesteld om de situatie te verduidelijken.
Daarom was de weigering van appellant om mee te werken aan het huisbezoek geen schending van de medewerkingsverplichting. De Raad vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand en bepaalde dat het recht op bijstand vanaf 14 december 2021 blijft bestaan. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.