ECLI:NL:CRVB:2024:381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim door dwingend gedrag
Appellant, werkzaam als functionaris bij het parket, maakte tijdens verlof melding van een verkeersincident waarbij hij en zijn gezin werden bedreigd. Hij presenteerde zich als functionaris en gaf politieambtenaren de opdracht het kenteken van de betrokken automobilist na te trekken, wat werd geweigerd. Appellant vertoonde daarbij dwingend en intens gedrag, wat door de politie als onprettig werd ervaren.
De minister legde appellant een schriftelijke berisping op wegens plichtsverzuim, omdat hij zijn privébelangen niet scheidde van zijn ambtelijke functie, waardoor de schijn van belangenverstrengeling ontstond. Appellant voerde aan dat zijn intentie was ongelukken te voorkomen door directe politieactie, maar dit weerlegde de Raad.
De Raad oordeelde dat de minister terecht de disciplinaire maatregel oplegde en dat deze niet onevenredig was. Ondanks dat appellant inmiddels eervol ontslag heeft gekregen, is er voldoende procesbelang om over de straf te oordelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.