ECLI:NL:CRVB:2024:335
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA op 62,19% per 18 juli 2019
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV op 62,19% per 18 juli 2019, stellende dat hij meer beperkingen heeft dan aangenomen en niet de geselecteerde functies kan vervullen. Na onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de beperkingen passend waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen waren onderschat, met name op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren en lichamelijke beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank en het UWV in hun oordeel. De Raad stelt vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld en dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft tot wijziging. Ook de arbeidskundige beoordeling bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen, het bestreden besluit blijft in stand en de WGA-vervolguitkering wordt ongewijzigd voortgezet. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 62,19% en dat het hoger beroep wordt verworpen.