Uitspraak
20 1723 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als medewerker schoonmaak, meldde zich in februari 2017 ziek met hand-, rug-, knieklachten, fibromyalgie en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van december 2018 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering per 4 februari 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aanvullende beperkingen aan, waaronder laagbegaafdheid en handartrose, maar deze werden niet voldoende onderbouwd met actuele medische gegevens.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bevestigden in diverse rapporten dat de beperkingen in de FML toereikend waren en dat de geselecteerde functies passend waren. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% had vastgesteld en de WIA-uitkering terecht was geweigerd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst haar WIA-uitkering per 4 februari 2019 af.