ECLI:NL:CRVB:2024:243

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
22/225 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wmo 2015
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bruikleenauto Wmo 2015 wegens passende voorziening rolstoeltaxi

Appellant, lijdend aan een progressieve vorm van Multiple Sclerose en rolstoelgebonden, vroeg op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening aan in de vorm van een bruikleenauto. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, omdat een financiële tegemoetkoming voor een commerciële rolstoeltaxi als passende voorziening werd gezien.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde dit ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, stellende dat de financiële tegemoetkoming onvoldoende was en dat de rolstoeltaxi niet betrouwbaar was en niet kon stoppen onderweg, wat gezien zijn slikproblemen noodzakelijk zou zijn.

De Raad oordeelde dat appellant zijn beroepsgronden onvoldoende had onderbouwd. De tegemoetkoming is bedoeld voor vervoer binnen Amsterdam en ziekenhuisritten worden door de zorgverzekeraar vergoed. Klachten over de rolstoeltaxi werden niet concreet gemaakt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor het hoger beroep werd afgewezen en appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot afwijzing van de bruikleenauto blijft in stand.

Uitspraak

22/2225 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2022, 20/1271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 31 januari 2024
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over vraag of het college de aanvraag voor een bruikleenauto op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) terecht heeft afgewezen, omdat een financiële tegemoetkoming voor een commerciële rolstoeltaxi een passende voorziening is voor appellant. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Benayad, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 december 2023. Voor appellant zijn mr. S. Toughza, advocaat, en de broer van appellant, J. el Yousfi verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1981, heeft een progressieve vorm van Multiple Sclerose (MS). Hierdoor is hij aan een rolstoel gebonden en heeft hij ernstige spraak- en slikproblemen. Om familieleden en behandelaars te kunnen bezoeken en recreatief op stap te kunnen gaan heeft appellant een maatwerkvoorziening in de vorm van een bruikleenauto aangevraagd op grond van de Wmo 2015. Het college heeft met een besluit van 26 februari 2018 de aanvraag afgewezen.
1.2.
Met een besluit van 22 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Ter onderbouwing heeft het college verwezen naar een advies van het Indicatie Adviesbureau Amsterdam (IAB) van 17 december 2019. In dat advies heeft het IAB geconcludeerd dat het aanvullend openbaar vervoer voor appellant niet passend is, omdat stoppen onderweg niet mogelijk is. Appellant is daarom aangewezen op een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. Volgens het college kan appellant met die vergoeding een commerciële rolstoeltaxi bestellen, waardoor appellant zelf geen vervoermiddel nodig heeft. Het college heeft daarmee appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat een bruikleenauto de enig passende voorziening is voor zijn vervoersproblemen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de financiële tegemoetkoming voor een rolstoeltaxi geen passende voorziening is. Appellant heeft zijn beroepsgrond dat het verstrekte budget niet toereikend is, namelijk niet onderbouwd. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de tegemoetkoming enkel bedoeld is voor vervoer binnen Amsterdam en dat de zorgverzekeraar ritten naar het ziekenhuis vergoedt.
4.2.
Ook de beroepsgrond dat de rolstoeltaxi regelmatig te laat verschijnt, is door appellant in het geheel niet concreet gemaakt. Hetzelfde geldt voor de beroepsgrond dat het zo nodig stoppen onderweg, in verband met de slikproblemen van appellant, ook bij de rolstoeltaxi een probleem is.
4.3.
De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college de aanvraag voor een bruikleenauto mocht afwijzen.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D. Hardonk-Prins en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) S.S. Blok