ECLI:NL:CRVB:2024:2422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv om haar per 7 mei 2019 geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die aanvullende medische beperkingen vaststelde, waaronder een urenbeperking van 30 uur per week. Ondanks deze aanpassing bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35%.
De rechtbank Oost-Brabant had het beroep eerder ongegrond verklaard, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld. Appellante voerde aan dat haar CVS/ME en andere aandoeningen onvoldoende waren meegenomen, maar de deskundige kon de diagnose CVS/ME op de beoordelingsdatum niet onderbouwen. De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het Uwv terecht de WIA-uitkering had geweigerd.
Vanwege motiveringsgebrek in de gewijzigde onderbouwing van het Uwv werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. Het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.