ECLI:NL:CRVB:2024:2407

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
21/563 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Intrekking
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV in bezwaren en proceskostenvergoeding

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar heeft dit beroep ingetrokken nadat het UWV op 18 oktober 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar heeft genomen die volledig tegemoet kwam aan haar bezwaren.

De Centrale Raad van Beroep heeft op verzoek van appellante het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in zowel de beroeps- als hoger beroepsfase. De proceskosten zijn vastgesteld op €3.610,40, inclusief kosten voor het bijwonen van zittingen.

Daarnaast is het UWV verplicht het betaalde griffierecht van €184,- in zowel beroep als hoger beroep aan appellante te vergoeden. De zaak is behandeld zonder zitting vanwege de intrekking en de volledige tegemoetkoming door het bestuursorgaan.

De uitspraak is gedaan door rechter L.A. Kjellevold en griffier S.P.A. Elzer op 13 december 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken na volledige tegemoetkoming door het UWV, dat tevens is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

21/563 WIA
Datum uitspraak: 13 december 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 januari 2021, 20/816 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.G. Mostert hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 18 oktober 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 6 september 2024 heeft mr. Mostert namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft appellante een specificatie gegeven van haar proceskosten.
Het Uwv heeft op 28 oktober 2024 meegedeeld zich niet te zullen verzetten tegen een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 oktober 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en met wegingsfactor 1) en € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en met wegingsfactor 1).
Ook de kosten die appellante heeft gemaakt voor het bijwonen van de zittingen komen voor een vergoeding in aanmerking. Deze kosten bedragen volgens de door appellante overgelegde formulier € 110,40.
Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 3.610,40.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een totaalbedrag van € 3.610,40;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door L.A. Kjellevold, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
(getekend) L.A. Kjellevold
(getekend) S.P.A. Elzer