ECLI:NL:CRVB:2024:2397
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mindering Poolse arbeidsongeschiktheidsuitkering op Nederlandse WIA-uitkering
Appellante ontvangt sinds 11 juli 2018 een WIA-uitkering en tevens een Poolse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het UWV bracht de Poolse uitkering in mindering op de WIA-uitkering, wat leidde tot bezwaar van appellante. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de Poolse uitkering in mindering bracht op de autonome WIA-uitkering, conform de anticumulatiebepalingen van Verordening 883/2004.
Appellante stelde dat zij recht heeft op zowel de volledige Nederlandse WIA-uitkering als de Poolse uitkering en dat de anticumulatievoorschriften niet van toepassing zijn op pro rata-uitkeringen. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit standpunt en bevestigde dat de toegekende WIA-uitkering een autonome uitkering is waarop de Poolse uitkering in mindering mag worden gebracht. De pro rata-uitkering was lager dan de autonome uitkering minus de Poolse uitkering, waardoor de autonome uitkering werd toegekend.
De Raad oordeelde verder dat het UWV binnen de grenzen van de Europese regelgeving en nationale wetgeving heeft gehandeld, en dat appellante niet is beroofd van haar permanente IVA-uitkering. Indien de Poolse uitkering vermindert, wordt de WIA-uitkering verhoogd zodat het totaal 100% van het WIA-maandloon blijft. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Poolse arbeidsongeschiktheidsuitkering terecht in mindering is gebracht op de Nederlandse WIA-uitkering.