ECLI:NL:CRVB:2024:2396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken schriftelijk besluit over verblijf in buitenland met behoud uitkering
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en had op 27 juni 2017 met zijn klantmanager afgesproken om met behoud van uitkering zes maanden in het buitenland te verblijven. Deze afspraak was niet schriftelijk vastgelegd. Appellant vertrok in september 2017 naar het buitenland. Het college stelde met een besluit van 11 juli 2018 dat appellant vanaf 6 september 2018 zijn hoofdverblijf weer in Amsterdam moest hebben.
Appellant maakte bezwaar tegen de mededeling van 27 juni 2017 dat hij met behoud van uitkering naar het buitenland mocht vertrekken, stellende dat er medische redenen waren en geen termijn was afgesproken. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was, aangezien deze niet schriftelijk was vastgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De Raad oordeelt dat de stukken die appellant overlegt geen schriftelijk besluit vormen en dat het schriftelijkheidsvereiste niet kan worden gepasseerd. Het verzoek om een getuige te horen wordt afgewezen omdat dit niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante feiten.
Uitkomst: Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de afspraak geen schriftelijk besluit vormt.