ECLI:NL:CRVB:2024:2297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uwv om hem per 28 mei 2021 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het Uwv minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant stelt dat hij meer medische beperkingen heeft dan vastgesteld, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, ondanks dat twee psychiaters betrokken waren bij het onderzoek. De verzekeringsarts heeft beperkingen vastgesteld in het persoonlijk en sociaal functioneren en lichte beperkingen voor tillen en dragen, neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 2 mei 2022. De arbeidsdeskundige achtte de geselecteerde functies passend binnen deze beperkingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het psychiatrisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten. De Raad volgt dit niet en onderschrijft de rechtbankuitspraak. Het psychiatrisch onderzoek is zorgvuldig uitgevoerd, inclusief aanvullend beeldbelonderzoek. De verzekeringsarts heeft de beperkingen adequaat gemotiveerd en er is geen aanleiding voor nader onderzoek of inschakeling van een deskundige.
De Raad concludeert dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geen WIA-uitkering ontvangt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.