Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure nam het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij appellante met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2020 volledig arbeidsongeschikt werd verklaard en haar WGA-vervolguitkering werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
Naar aanleiding van deze tegemoetkoming trok appellante haar hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten van beroep en hoger beroep. Het UWV maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van een verweerschrift en het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten.
De Raad stelde vast dat appellante inderdaad is tegemoetgekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten, bestaande uit kosten van rechtsbijstand en reiskosten, alsmede het betaalde griffierecht. De totale proceskostenvergoeding bedraagt €4.408,29 en het griffierecht €185,-. De uitspraak werd gedaan door A.I. van der Kris op 28 november 2024.