ECLI:NL:CRVB:2024:2175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met psychische en fysieke klachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is vastgesteld. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast en selecteerden passende functies, waaruit bleek dat appellante slechts 14,45% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist waren. De rechtbank nam mee dat appellante niet onder behandeling was van GGZ op de datum van beoordeling en dat de toename van klachten na die datum niet relevant was.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV aannam en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de gronden van appellante onvoldoende aanleiding geven om het bestreden besluit te wijzigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.