Appellante vroeg bijstand aan en gaf op het aanvraagformulier aan geen bezittingen te hebben. Uit een controle via Suwinet bleek echter dat zij een auto op haar naam had staan. Het college verzocht haar daarom om aanvullende bewijsstukken over de waarde en eigendom van de auto. Hoewel appellante niet alle gevraagde stukken tijdig aanleverde, was het college al begonnen met de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.
Het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens het ontbreken van bewijsstukken, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het college niet bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen, omdat het stadium van een incomplete aanvraag was gepasseerd en de gevraagde stukken dienden ter concretisering van reeds bekende feiten.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en gaf het college opdracht binnen acht weken een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen het oorspronkelijke besluit, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.