ECLI:NL:CRVB:2024:2135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis
Appellant was in dienst bij een werkgever op basis van een leerarbeidsovereenkomst die per 1 februari 2021 is beëindigd vanwege ongeoorloofde afwezigheid. Hij vroeg meerdere malen een WW-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was en niet voldeed aan de wekeneis, die vereist dat men in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid minstens 26 weken heeft gewerkt.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen de weigering ongegrond. De rechtbank stelde vast dat het eerdere besluit van het Uwv dat appellant recht heeft op een WW-uitkering vanaf 1 februari 2021, maar dat deze niet wordt uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid, in rechte vaststaat. De rechtbank concludeerde dat appellant in de relevante referteperiode onvoldoende weken had gewerkt om opnieuw recht op WW te verkrijgen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de opzegtermijn van de arbeidsovereenkomst meegewogen moet worden, waardoor hij wel aan de wekeneis zou voldoen. De Raad oordeelt dat dit niet tot een ander resultaat leidt. De Raad bevestigt dat appellant niet aan de wekeneis voldoet en dat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank terecht in stand blijven. Het hoger beroep wordt verworpen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de wekeneis.