ECLI:NL:CRVB:2024:2069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terugkomen op beëindiging Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1978, kreeg vanaf 1996 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die later overging in een Wajong-uitkering. Deze uitkering werd per 1 januari 2006 beëindigd door het UWV. Appellant heeft meerdere malen verzocht om herziening van dit besluit, maar deze verzoeken werden afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
In 2022 vroeg appellant opnieuw om herziening met terugwerkende kracht, wat het UWV weigerde omdat appellant geen ingezetene was. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, stellende dat het oorspronkelijke besluit uit 2006 in rechte vaststaat en niet evident onredelijk is.
Appellant voerde aan dat het besluit onjuist was omdat het niet gebaseerd was op een medische beoordeling en dat de waarborgen van artikel 50 Wajong Pro niet waren nageleefd. De Raad onderschrijft echter de motivering van de rechtbank dat het besluit niet onmiskenbaar onjuist is en dat het risico van het ontbreken van het oorspronkelijke besluit voor rekening van appellant komt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Hierdoor blijft de weigering van de Wajong-uitkering in stand en krijgt appellant geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Wajong-uitkering uit 2006.