ECLI:NL:CRVB:2024:2049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-aanvraag wegens onvoldoende bewijs van verblijf en arbeid in Nederland in 1984-1985
Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij in 1984 en 1985 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft deze aanvraag afgewezen na onderzoek, omdat er onvoldoende bewijs was voor het verblijf en de werkzaamheden in Nederland in die periode.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard, oordeelde dat appellant zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat de Svb zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Appellant stelde in hoger beroep dat hij voor twee werkgevers in Nederland had gewerkt en overhandigde onder meer foto’s en een getuigenverklaring van een vriend.
De Raad concludeert dat deze stukken onvoldoende zijn om het verblijf of de werkzaamheden aannemelijk te maken. De Svb heeft navraag gedaan bij gemeenten, pensioenfondsen en bedrijven zonder resultaat. Bovendien is de getuigenverklaring niet verifieerbaar en de foto’s onduidelijk qua tijd en plaats.
De Raad bevestigt dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de betreffende jaren en daarom geen recht heeft op een AOW-pensioen. Ook krijgt appellant geen vergoeding van proceskosten of griffierecht, omdat hij niet in het gelijk is gesteld.
Uitkomst: De afwijzing van de AOW-aanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van verblijf en werk in Nederland in 1984-1985.