ECLI:NL:CRVB:2024:2012
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellante verzocht om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Maastricht werd afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden die de kosten noodzakelijk maken. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar verhuizing noodzakelijk was.
De rechtbank nam mee dat hoewel appellante in het verleden door haar ex-partner was bedreigd, er geen bewijs was dat deze bedreigingen tot aan de verhuizing voortduurden. Appellante had wel aangiften gedaan uit 2020 en 2021, maar geen recente meldingen of politie-informatie overgelegd. Uit verklaringen bleek dat de ex-partner recentelijk niet meer bedreigend was en dat er geen aanleiding was voor nieuwe aangiften.
Hoewel appellante incidenteel werd lastiggevallen en zij begrijpelijkerwijs niet in de buurt van haar ex-partner wilde wonen, vond de rechtbank dit onvoldoende om de verhuizing als noodzakelijk te kwalificeren. Ook het door appellante genoemde psychische leed werd niet onderbouwd met medische stukken. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten zonder nieuwe onderbouwing, waarop de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigde en het hoger beroep ongegrond verklaarde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt bevestigd.