ECLI:NL:CRVB:2024:2005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering ondanks toegenomen beperkingen
Appellante ontving vanaf 31 augustus 2020 een ZW-uitkering. Na een eerstejaars beoordeling beëindigde het UWV deze uitkering per 26 december 2021 omdat appellante meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen in andere functies. Appellante meldde zich op 10 januari 2022 opnieuw ziek en vroeg een nieuwe ZW-uitkering aan, die het UWV weigerde na medisch en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had onderzocht dat zij geschikt was voor bepaalde functies, ondanks haar beperkingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege haar psychische klachten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts had de beperkingen adequaat vastgesteld en gemotiveerd, en de arbeidsdeskundige had overtuigend aangetoond dat de functies medisch passend waren. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de ZW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ZW-uitkering per 10 januari 2022.