ECLI:NL:CRVB:2024:1999

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
29 oktober 2024
Zaaknummer
22/2779 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV omtrent haar WIA-uitkering. Bij brief heeft zij het hoger beroep ingetrokken nadat het UWV geheel aan haar bezwaren tegemoet was gekomen met een gewijzigde beslissing die recht op een IVA-uitkering vanaf 18 mei 2018 vaststelde.

De Raad heeft op grond van artikel 8:75a Awb en artikel 8:108 Awb Pro het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het hoger beroep. Dit betreft een bedrag van € 2.839,-, inclusief kosten voor het arbeidsdeskundig rapport en het betaalde griffierecht.

Het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten omdat het hoger beroep was ingetrokken en het UWV geen verweerschrift heeft ingediend. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 oktober 2024.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.839,- aan proceskosten en € 136,- griffierecht aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 oktober 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
22 juli 2022, 20/953 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 9 juli 2024 heeft mr. H.S. Huisman, advocaat, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 juli 2024 heeft het Uwv besloten dat appellante vanaf 18 mei 2018 recht heeft op een IVA-uitkering.
Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep heeft ingetrokken omdat het Uwv volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Het Uwv wordt daarom veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot
€ 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
De gemaakte kosten van € 1.089,- in verband met het overgelegde arbeidsdeskundig rapport van 14 maart 2023, komen voor vergoeding in aanmerking.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 2.839,-.
Ook moet het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.839,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) D. Schaap