ECLI:NL:CRVB:2024:1994
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en proceskostenvergoeding in WIA-hoger beroep
Appellante was na een auto-ongeluk arbeidsongeschikt en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% vast, waarna appellante bezwaar maakte. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV een percentage van 36,01% vast en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe.
Appellante betwistte de vaststelling van het UWV en voerde aan dat zij meer beperkingen had, onder meer door een cognitieve stoornis, en dat de geselecteerde functies haar beperkingen overschreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten vanwege een schending van de motiveringsplicht.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerste besluit van het UWV en verklaarde het beroep daarop gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was, dat de cognitieve stoornis niet objectief was vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. De proceskosten en griffierechten werden aan appellante vergoed.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 36,01%, het eerste UWV-besluit is vernietigd, het tweede besluit gehandhaafd en proceskosten worden aan appellante vergoed.