ECLI:NL:CRVB:2024:1929
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen terugvordering en verrekening bijstand na wijziging huishoudsituatie
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam inzake terugvordering en verrekening van bijstand na wijziging van zijn huishoudsituatie in 2018.
Het college had de bijstand van appellant herzien wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-partner, de bijstand ingetrokken en de norm aangepast naar gehuwdenbijstand. De alleenstaandenbijstand werd verrekend met de helft van de gehuwdenbijstand die aan de ex-partner was uitbetaald. De Raad had eerder het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd maar de verrekening in stand gelaten.
Appellant stelde dat de volledige alleenstaandenbijstand nabetalend moest worden toegekend omdat geen gezamenlijke huishouding bestond in augustus 2018 en de gehuwdenuitkering ten onrechte aan de ex-partner was betaald. De Raad oordeelde dat de eerdere rechtsoverwegingen onverkort van toepassing zijn en verwierp het beroep. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De nabetaling is vastgesteld op € 275,61 over de betreffende periode.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de verrekening van de nabetaling bijstand wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.