ECLI:NL:CRVB:2024:1929

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
23/1879 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugvordering en verrekening bijstand na wijziging huishoudsituatie

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam inzake terugvordering en verrekening van bijstand na wijziging van zijn huishoudsituatie in 2018.

Het college had de bijstand van appellant herzien wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-partner, de bijstand ingetrokken en de norm aangepast naar gehuwdenbijstand. De alleenstaandenbijstand werd verrekend met de helft van de gehuwdenbijstand die aan de ex-partner was uitbetaald. De Raad had eerder het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd maar de verrekening in stand gelaten.

Appellant stelde dat de volledige alleenstaandenbijstand nabetalend moest worden toegekend omdat geen gezamenlijke huishouding bestond in augustus 2018 en de gehuwdenuitkering ten onrechte aan de ex-partner was betaald. De Raad oordeelde dat de eerdere rechtsoverwegingen onverkort van toepassing zijn en verwierp het beroep. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De nabetaling is vastgesteld op € 275,61 over de betreffende periode.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de verrekening van de nabetaling bijstand wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

23.1879 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 11 mei 2023 (bestreden besluit)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 1 oktober 2024
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: M. Ramanand
De Raad heeft het hoger beroep van appellant behandeld op een zitting op 1 oktober 2024. Beide partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om het volgende. Het college heeft in 2018 de bijstand van appellant wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met X herzien over een periode die eindigde op 31 juli 2018, zijn bijstand ingetrokken per 1 augustus 2018 en per die datum bijstand naar de norm van gehuwden toegekend. Ook heeft het college de alleenstaandenbijstand waar appellant vanaf 31 augustus 2018 recht op had verrekend met de helft van de gehuwdenbijstand die was uitbetaald aan de – inmiddels – ex-partner van appellant (Y). Met een besluit van 30 april 2020 heeft het college beslist op de bezwaren van appellant tegen de herziening, terugvordering, intrekking en verrekening. In een uitspraak van 21 februari 2023 [1] heeft de Raad het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd, maar daarbij de verrekening in stand gelaten. Verder heeft de Raad het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen de terugvordering en bepaald dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld. Over de verrekening heeft de Raad in rechtsoverweging 4.14.2 het volgende overwogen:
“Het college heeft de aan Y over september 2018 betaalde gehuwdenbijstand terecht voor de helft toegerekend aan appellant. Ten tijde van de betaling van de bijstand over die maand aan Y werd namelijk aan haar en appellant bijstand verleend naar de norm voor gehuwden. Zij waren op dat moment dus nog gezamenlijk subject van bijstand. Dat naderhand, met terugwerkende kracht tot 31 augustus 2018, de norm van de aan appellant verleende bijstand is gewijzigd, maakt dit niet anders. Hier komt bij dat appellant het college pas in oktober 2018 heeft verzocht de bijstand gesplitst te betalen.”
Ter uitvoering van de uitspraak van 21 februari 2023 heeft het college met het bestreden besluit opnieuw beslist op het bezwaar tegen de terugvordering. In dat besluit heeft het college het terugvorderingsbedrag verlaagd en bepaald dat appellant over de periode van 1 augustus 2018 tot en met 30 augustus 2018 een nabetaling krijgt van € 275,61. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Het beroep richt zich tegen de nabetaling en meer in het bijzonder tegen de verrekening die daarin besloten ligt. Het college heeft namelijk, net als bij de nabetaling over september 2018, de na te betalen alleenstaandenbijstand over de periode waar het hier om gaat verrekend met de helft van de aan Y uitbetaalde gehuwdenbijstand over die periode.
Net als in het vorige hoger beroep, voor zover dat zag op de verrekening van de nabetaling van alleenstaandenbijstand over september 2018, heeft appellant nu in beroep ook weer aangevoerd dat hij om de volgende reden de volledige alleenstaandenbijstand over de periode waar het hier om gaat nabetaald moet krijgen. Het college heeft de gehuwdenuitkering over die periode ten onrechte overgemaakt aan Y. Nu geen sprake was van een gezamenlijke huishouding in augustus 2018, kan niet worden uitgegaan van hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant voor het bedrag van de gehuwdenbijstand dat ten onrechte aan Y is uitbetaald. Het bedrag dat aan Y teveel is uitbetaald kan dus niet worden verrekend met de nabetaling aan appellant. Het college zal dan een vordering moeten instellen tegen Y op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In beroep heeft appellant niet duidelijk gemaakt waarom rechtsoverweging 4.14.2 van de uitspraak van 21 februari 2023 niet onverkort van toepassing zou zijn op de nabetaling over de periode van waar het hier om gaat. De Raad ziet geen aanleiding om over de nu aangevoerde grond anders te oordelen dan hij heeft gedaan in zijn uitspraak van 21 februari 2024.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit, waarbij het bedrag van de nabetaling over de periode waar het hier om gaat is bepaald op € 275,61, in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Ramanand (getekend) W.F. Claessens