ECLI:NL:CRVB:2024:1877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid per 19 juli 2022 bevestigd
Appellant was werkzaam als medewerker bediening en meldde zich met terugwerkende kracht per 19 juli 2022 ziek vanwege hartklachten. Het UWV kende hem aanvankelijk een Ziektewet-uitkering toe op voorschotbasis, maar weigerde deze per 29 december 2022 nadat een verzekeringsarts had vastgesteld dat appellant per 19 juli 2022 geschikt was voor zijn laatste werk.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, waarbij zij het rapport van de verzekeringsarts als voldoende gemotiveerd en zorgvuldig beoordeelde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat het pas vijf maanden na ziekmelding plaatsvond en omdat relevante medische informatie niet was opgevraagd. Tevens stelde hij dat zijn hartklachten, PTSS en psychoses op de datum in geding wel degelijk van invloed waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en stelde dat het medisch onderzoek adequaat was, ook gezien de terugwerkende kracht van de ziekmelding. De Indicatie Banenafspraak uit 2017 en de nieuwe medische klachten waren niet relevant voor de beoordeling op de datum in geding. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daardoor in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering per 19 juli 2022 blijft in stand.