ECLI:NL:CRVB:2024:175

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2024
Publicatiedatum
1 februari 2024
Zaaknummer
20/2751 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in WIA-zaak

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake een WIA-zaak. Het UWV en de ex-werkgever waren betrokken partijen, waarbij het UWV het verweerschrift indiende en de ex-werkgever als derde-belanghebbende deelnam. Tijdens het onderzoek ter zitting op 23 maart 2023 verscheen appellante met haar advocaat, terwijl de ex-werkgever niet aanwezig was. Het onderzoek werd geschorst.

Op 27 juli 2023 nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee het geheel tegemoet kwam aan de bezwaren van appellante. Vervolgens trok appellante op 28 augustus 2023 het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten en het betaalde griffierecht. De Raad liet het onderzoek ter zitting achterwege en sloot het onderzoek.

De Raad oordeelde dat het UWV, gelet op de intrekking van het beroep en de tegemoetkoming, veroordeeld moet worden tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht. De proceskosten werden begroot op €1.750,- en het griffierecht op €131,-. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van deze bedragen aan appellante.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €1.750,- proceskosten en €131,- griffierecht aan appellante.

Uitspraak

20 2751 WIA

Datum uitspraak: 1 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 juni 2020, 19/4370 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[ex-werkgever] (ex-werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende deelgenomen.
Bij brief van 26 november 2021 heeft mr. M.I. Bal, advocaat, zich als opvolgend
gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. De ex-werkgever is niet verschenen.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Het Uwv heeft op 27 juli 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 28 augustus 2023 heeft mr. Bal namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Het Uwv heeft een reactie ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 27 juli 2023 geheel tegemoet is gekomen aan haar bezwaren.
Omdat het Uwv bij het besluit van 27 juli 2023 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase en de rechtbank een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep heeft uitgesproken, moet de Raad uitsluitend nog beslissen over de in hoger beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten voor de aan appellante beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en
1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt).
Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.750,-;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 131,-.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) E.X.R. Yi