ECLI:NL:CRVB:2024:175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in WIA-zaak
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake een WIA-zaak. Het UWV en de ex-werkgever waren betrokken partijen, waarbij het UWV het verweerschrift indiende en de ex-werkgever als derde-belanghebbende deelnam. Tijdens het onderzoek ter zitting op 23 maart 2023 verscheen appellante met haar advocaat, terwijl de ex-werkgever niet aanwezig was. Het onderzoek werd geschorst.
Op 27 juli 2023 nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee het geheel tegemoet kwam aan de bezwaren van appellante. Vervolgens trok appellante op 28 augustus 2023 het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten en het betaalde griffierecht. De Raad liet het onderzoek ter zitting achterwege en sloot het onderzoek.
De Raad oordeelde dat het UWV, gelet op de intrekking van het beroep en de tegemoetkoming, veroordeeld moet worden tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht. De proceskosten werden begroot op €1.750,- en het griffierecht op €131,-. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van deze bedragen aan appellante.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €1.750,- proceskosten en €131,- griffierecht aan appellante.